Zwany ('Aya') Zikken werd op 21 september 1919 geboren. Ze debuteerde in 1954 met Als wij groot zijn, dan misschien. Zij schreef romans, reisverslagen en autobiografische teksten. In 1996 verscheen bij Nijgh & van Ditmar Landing op Kalabahi.
Uit het juryrapport: De kern van haar wezen en van wat zij uit wil drukken is te vinden in haar mooiste, meest gave roman De atlasvlinder (1958), waarin haar kinderleven in Indië herleeft, beheerst door de magie van geuren, kleuren en geluiden, zonnegloed, gutsende regens, geweld en glorie van de oppermachtige natuur, en een oneindig aantal mogelijkheden van avontuur en ontdekking. Ook voor wie die sfeer niet uit eigen ervaring kent, maakt zij de betovering ervan haast zintuiglijk waarneembaar. Haar nieuwsgierigheid, haar gevoel voor humor en de kalme onverzettelijkheid waarmee zij eropuit trekt naar verre eilanden en zelden door toeristen bezochte gebieden, brengen haar dicht bij de mensen en hun dagelijkse bestaan.
Fragment uit De atlasvlinder:
Over het erf kwam mevrouw Syahaya aanlopen met een jonge vrouw op blote voeten achter haar aan die haar grote tas droeg. Hijgend kwam ze het trapje op. De jonge vrouw reikte haar de tas aan en trok zich daarop terug in de richting van de bijgebouwen. Alleen voor mevrouw Syahaya moet ik altijd thuis zijn, dacht Manna verbitterd, en natuurlijk komt juist zij meer dan iemand anders op bezoek. "Goedemiddag mevrouw Syahaya," zei Manna en klapt in haar handen om Hassan te vragen verse thee te brengen. "Arm kind," zei mevrouw Syahaya en liet de brede rotan stoel langzaam vollopen met haar machtige lichaam, "ik ben dadelijk gekomen. Je weet ik sta altijd klaar". Het was vaak moeilijk de gedachtengang te volgen van mevrouw Syahay. Maar als je eraan gewend raakte dat ze begon te praten waar anderen eindigden en eindigde waar anderen begonnen, dan wist je dat je het beste niets kon zeggen en afwachten.