Helene Nolthenius werd in 1920 in Amsterdam geboren. Na de publicatie van gedichten in De Gemeenschap en haar promotieonderzoek over De oudste melodiek van Italië schreef zij wisselend wetenschappelijke publicaties en romans en verhalen. Haar bekendste werk is Een man uit het dal van Spoleto, een biografisch essay over Franciscus van Assisi.
Uit het juryrapport: Helene Nolthenius paart haar intense belangstelling voor schrijven, muziek en het Italië van de Middeleeuwen en Renaissance aan een meeslepende stijl van schrijven en een ongewone eruditie. (...) Met haar enorme kennis roept Nolthenius de wereld op die haar mateloos boeit. Al decennia voordat Italië een modieus land was geworden waarover schrijvers vanuit hun buitenhuis in extase berichten, wist zij van haar eigen ontdekkingsreis door dat land ook die van de lezer te maken. (...) Een man uit het dal van Spoleto is een hoogtepunt in haar niet-fictionele werk. Het getuigt net als haar andere werk van passie en eruditie. Misschien het opvallendst is in dit boek de verschuiving van de lyrische taal uit het vroege werk naar een meer zakelijke toon, die van meer afstand getuigt, maar zonder daarmee afbreuk te doen aan de betrokkenheid van de lezer. Het zijn niet de kleinste schrijvers die hun eigen vroegere werk met het latere historisch maken.
Uit 'Een man uit het dal van Spoleto', Franciscus tussen zijn tijdgenoten:
Honger. Van de orkaan die kort voor of na zijn geboorte woedde tot de hongersnood die hij voorspelde voor zijn dood heeft Fransiscus geleefd in wat Jacques Le Goff 'het universum van de honger' genoemd heeft. Stormen, aardbevingen, overstromingen, regen te veel, regen te weinig, sprinkhanen, oorlogen: de landbouw was er al niet tegen opgewassen toen de wereld nog leeg was, en nu de bevolking toenam werd zijn onvermogen catastrofaal. De samenleving bevond zich in een overgangsfase tussen een feodaliteit die haar patriachale karakter verloor, en een agressief vroeg-kapitalisme dat een economische scheefgroei nastreefde; zo vielen de armen overal tussen wal en schip. Bij honderden. En naast de honger de ziekten. In de ondervoeding, vervuiling, onwetendheid, hadden epidemieën vrij spel, iedere zomer weer; en wie ze overleefde kon vervolgens doorvriezen als de winter streng was. Altijd moeten er lijken gelegen hebben langs de heerbanen van Europa, door medepaupers van hun laatste bezit beroofd, en door passanten zelfs niet beklaagd.