De zeven genomineerden voor de Anna Bijns Prijs 2007 waren, in alfabetische volgorde van de auteurs:
In deze ambitieuze roman geeft Marja Brouwers een indringend beeld van maatschappelijke ontwikkelingen vanaf de jaren vijftig tot heden. Ongelijke machtsverhoudingen, seksuele aantrekkingskracht en onderdrukking, verraad en hypocrisie, met deze ingrediënten schetst de schrijfster een huiveringwekkend beeld van individuele leegte en wanhoop. Haar boek geeft ze extra lading via een vertellende stem die maatschappelijke ontwikkelingen uitvoerig becommentarieert. Brouwers ondergraaft bestaande opinies en zet daar nieuwe en originele ideeën tegenover, altijd in prachtig, eigenzinnig proza. Haar personages zijn nooit bordkartonnen illustraties bij een debat maar levende, dubbelzinnige en interessante figuren, in wie we veel van onszelf kunnen herkennen.
Kristien Hemmerechts begeeft zich met dit boek in het lastige genre van de roman over de roman. Maar het lukte Hemmerechts zeldzaam goed haar ideeën op te nemen in een verhaal dat de aandacht tot het eind toe vasthoudt; uiterst intelligent schrijft ze over literatuur en over de fundamentele vraag of de schrijver eigen liefdes en vriendschappen mag verwerken in een roman. De inzet is bijzonder groot, maar de aanpak bleef toegankelijk en de toon verleidelijk licht. Dat komt vooral door de ongekunstelde, krachtige en ironische zinnen, waarmee de schrijfster blijk geeft van uitzonderlijk schrijfgemak. Kristien Hemmerechts toonde meesterlijke beheersing in dit boek.
In deze verhalenbundel raakt D. Hooijer met serieuze ironie de bodem van treurige levens. Meestal nadat er rijkelijk alcohol vloeide. Haar sociaal licht gestoorde personages zitten doorgaans aan de grond, maar ze klagen niet. Dat sociaal contact steeds mislukt is eigenlijk helemaal niet zo erg. Er is al genoeg kracht nodig om half te leven, denkt een van de personages. De kracht van Hooijer zit ‘m erin dat zij hoogst eigenaardige hersenspinsels vanzelfsprekend maakt. Dat doet zij vooral via de taal. Stamelend, rauw en op het botte af, vol raadselachtige woordspelletjes, direct en kortaf, zo schrijft Hooijer. En dat is buitengewoon intrigerend.
Margriet de Moor vertelt over een familie én natie met als kantelpunt de watersnoodramp van 1953. Zij doet dat met een groot compositorisch vermogen, waarin tegenstellingen tussen personages, plaatsen, tijdperken, tussen sociale klassen en levensstadia met elkaar in verband worden gebracht zonder dat de constructie afbreuk doet aan de dramatische kracht van elke scène afzonderlijk. De verdronkene is daardoor veel meer dan een knap gecomponeerde opeenvolging van meeslepende scènes of een tijdsbeeld. Het is een vertoog over tijd en identiteit, over grenzen tussen vroeger en nu, tussen ik en de ander, dat zijn apotheose vindt in een even betekenisvolle als onbeantwoorde vraag. Margriet de Moor toont met dit boek onmiskenbaar haar meesterschap.
Marja Pruis schreef een sfeervolle roman waarin de verdwijning van een vrouw centraal staat. Sfeervol en verdwijning, dat zijn zaken die botsen, en daarin zit meteen het geraffineerde van dit boek. In deze roman staan twee bevriende gezinnen centraal: een Engels en een Nederlands. Tijdens hun samenzijn verdwijnt plotseling de Engelse moeder. De achterblijvers tasten in het duister: wat is haar motief? Langzamerhand blijken de vrienden elkaar minder goed te kennen dan ze dachten. Sterk maakt de auteur gebruik van het decor - Engeland, Amsterdam en Den Haag - waartegen de observaties op overtuigende wijze worden afgezet. Daarbij blijft deze roman tot het eind toe de spanning vasthouden.
Er is veel, heel veel - om niet te zeggen álles - goed aan deze roman van Wanda Reisel. Het vertelperspectief is gedurfd: we kijken door de ogen van een dode. Sterk contrasteert daarmee de montere en nuchtere verteltrant van deze dode, die verhaalt over een buitenechtelijke liefdesaffaire waar ze als hoofdrolspeelster bij betrokken was in de jaren vijftig op Curaçao. Witte liefde gaat daarmee over overspel, maar ook over echte liefde, over trouw en over de onmogelijkheid van het huwelijk. Reisel blinkt uit in het oproepen van het grijze Nederland, nadat ze het leven op het zonnige Curaçao beeldend heeft neergezet. Witte liefde is vooral een uiterst zintuiglijk boek.
Hoewel dit boek een bundeling lijkt van eerder gepubliceerd werk,blijk t het een hele nieuwe verhalenbundel te bevatten, die in niets onderdoet voor de reeds veelgeprezen, verfijnde verhalen die we van Stahlie kennen. Maria Stahlie excelleert op de korte baan. Zij duwt haar personages tot de rand van hun kunnen, én hun geweten. Ieder verhaal blinkt uit in speelsheid. Door de humoristische herhalingen, die een mythische cadans verlenen en het vertelde monterheid verschaffen. Door de frisse, wat bevreemdende observaties. Door het dartele spel met metaforen, die Stahlie graag letterlijk neemt. En door de onverwachte wending die zij aan haar verhalen weet te geven. Stahlie verrast met haar vakkundigheid, steeds opnieuw.