Juryrapport 2009

De jury van de Anna Bijns Prijs 2009 heeft zich verbaasd. Verbaasd over de relatief kleine opbrengst poëzie van vrouwelijke dichters. Eenenveertig bundels werden ingezonden, gepubliceerd tussen 1 januari 2005 en 31 december 2008. Maar de jury heeft zich ook verbaasd over de hoge kwaliteit. Over het lef en het eigenzinnige karakter van zoveel dichters. Nu eens waren de taal en structuur rauw en bonkig, dan weer was het gedicht fysiek sterk aanwezig, dan weer kreeg het juist een sprookjes- achtige sfeer, maar was de ondertoon bepaald niet onschuldig, omdat de sprookjes en mythen werden voorzien van een wrede wending. In veel bundels kwamen flarden argeloze kinderliedjes voor, vergezeld van onderhuidse dreiging en vertwijfeling.

Opvallend was de toegenomen hoeveelheid prozagedichten, maar ook het politiek-maatschappelijke engagement: geregeld drong de schokkende politieke werkelijkheid de gedichten binnen. Veel dichters waagden zich aan vormexperimenten en zochten via het binnenste naar de buitenkant, alsof ze uit hun schulp kropen en hun maskerade aflegden.

De jury raakte door zoveel sterke bundels verdeeld. Moest zij een statement maken en laten zien dat de jonge dichters in opmars zijn en een hoog niveau bereiken omdat ze hun nek durven uitsteken? Of wilde zij de kwaliteit benadrukken van dichters die al langer prachtig werk afleveren en opnieuw weten te verrassen? Wilde de jury het programmatische, geëngageerde dichten roemen, of wilde ze juist het ingetogen aftasten van eigen ervaringen prijzen? Lag de waarheid in het midden als ‘een lepel zout waar niemand zich raad mee weet’?

De jury wist zich uiteindelijk wel degelijk raad. De lepel zout werd gelijkelijk verdeeld. De jury probeerde met haar keuze voor de genomineerden de spanwijdte van de hedendaagse poëzie te benadrukken. Genomineerd voor de Anna Bijns Prijs 2009 werden, in alfabetische volgorde van de dichters; Situaties van Eva Gerlach, Koerikoeloem van Tjitske Jansen en Alles is nieuw van Esther Jansma.

Was het kiezen van de genomineerden al ingewikkeld, het benoemen van de winnaar viel de jury evenmin gemakkelijk. Naar wie ging de lepel lof en de tienduizend euro met de Anna Bijns Trofee?

Werd het Eva Gerlach, die voor de tweede maal met een bundel en voor de derde keer voor de Anna Bijns Prijs werd genomineerd? In 2005 was het Een bed van mensenvlees waarmee zij de jury imponeerde, nu viel de bundel Situaties (2006, De Arbeiderspers) bijzonder in de smaak. Gerlach weet zichzelf en haar poëzie telkens weer compromisloos te vernieuwen. Geen enkele bundel lijkt op de voorgaande. Gerlach probeert alles uit: zoals in haar fabelachtige gedichten (in de afdeling ‘Pad tussenbeide’), of in de ultrasterke afdeling ‘Vlees en bloed [onderschriften bij een foto]’ waarbij de beelden geen pixels meer nodig hebben. Ze rekt de vorm op als een elastiek. Buitengewoon indringend is de afdeling ‘Grote Fuga’, waarin Gerlach de structuur van Beethovens meesterwerk gebruikt om genuanceerde herinneringen en gevoelens over haar eigen vader vorm te geven in een hechte constructie waar twee gedichten als fugathema’s doorheen worden geweven. Het resultaat doet je Beethoven met andere oren beluisteren. Andersom werpt de barse, onmogelijke fuga een schril licht op Gerlachs compositie. Daar is durf en ondernemingslust voor nodig. De taal die Gerlach hanteert is nergens behaagziek of verliefd op schoonheid, maar eerder verrassend hard. De ellendigste zaken worden met schrijnende humor be-

schreven. In de poëzie van Gerlach kun je ronddwalen en steeds opnieuw ontdekkingen doen. In een hoekje van de bladspiegel of de taal blijkt nóg een betekenis te schuilen, die het gedicht breder maakt, alomvattend. Want ‘het gedicht gebeurt nu/ in het lichaam ervan gebeurt/ dit. het ademt en het/ loopt…’ zo dicht Gerlach programmatisch in haar laatste gedicht van deze bundel. Het is een positiebepaling die zijn weerga niet kent. Deze situaties vervelen nooit.

Zo anders was Koerikoeloem (2007, Podium) van Tjitske Jansen, de jongste onder de genomineerden. In haar bundel zet zij zichzelf met haar eerlijkheid op het spel. De bundel leest als een reeks prozaminiaturen die de reikwijdte van een Bildungsroman heeft, maar het gaat hier wel degelijk om poëzie. Door de bezwerende herhalingen en het dwingende ritme van de zinnen, door de rustige beeldspraak die meerdere werelden tegelijk oproept, doordat de woorden zoveel meer doen dan woord zijn. In een onderkoelde, nuchtere toon belicht Jansen het drama van pleeggezinnen en een jeugd vol onzekerheid, verwondering en weerzin. Dit is de schaduwzijde van een leven, de zoektocht naar liefde en houvast. Geen wonder dat de dichter daarom greep probeert te vinden in de taal en vorm. Ieder gedicht begint met ‘Er was’, woorden die soms in hetzelfde gedicht meerdere keren de opmaat van zorgvuldig bijeengeschaarde scherven herinnering vormen. Alsof een sprookje volgt. Ondanks verwijzingen naar sprookjes en ondanks het mededogen waarmee naar het verleden gekeken wordt, is niets minder waar. Zo kan de vader in de ene strofe door zijn onhandigheid laten zien wie hij was en in de strofe erna begraven zijn. Terwijl de poëzie achteloos lijkt te zijn geschreven, heerst in de bundel een ijzeren regelmaat. Via kleine mozaïeken die spiegelen of herhaald worden weet Jansen bekwaam de veelheid tot eenheid te smeden. Meerdere keren verandert het excessieve of incongruente gedrag van de volwassenen in een tragikomische situatie, ondanks of juist dankzij de registrerende toon. De verteller oordeelt niet. Dat een tante vijf Marsen opat, wordt op een Alice in Wonderland-achtige manier vastgesteld. De taal van Jansen is eenvoudig en tegelijk ingehou- den. ‘Er was een zomer waarin de zon zich op mij achterliet’. Deze poëzie blijft als de zon achter op de huid van de lezer.

Esther Jansma liet de jury verbluft achter. In haar bundel Alles is nieuw (2005, De Arbeiderspers) draait het in eerste instantie niet om vernieuwing, maar om de kracht van wat al is, om het voortdurende nu. Daaruit klinkt het eeuwige én het vergankelij- ke steeds op. Jansma schrijft degelijke, meesterlijk vormgegeven gedichten. Alles is nieuw getuigt in alle opzichten van uitmuntend vakmanschap. De taal zuivert en verontrust tegelijkertijd. De ondertoon is vol droefenis, maar ook sterk. In het deel ‘Niet morsen maar schenken’ overrompelt de dood van een kindje het gemoed van de lezer (‘zwarte nageltjes, gore geurkaars, kontje/ dat nooit meer zou poepen, met een luier aan’). Deze gedichten zijn als dolksteken: ‘het is de oude koude glijbaan/ richting niks en een kistje barstensvol wensen/ dat daarop wordt gezet omdat het weg moet en/ alweer wordt niemand gek.’ Het is bijna ondraaglijk dat niemand gek wordt, dat het leven gewoon doorgaat, in eeuwige herhaling. Dat vrijwel iedere plek getuigt van vergeten leven dat geweest is. Deze poëzie maakt weerloos. De onmacht is niet alleen te lezen, maar ook voelbaar en zichtbaar. De magische herhalingen die Jansma inzet krijgen het effect van een mantra. Dat deze poëzie soms anekdotisch lijkt door kleine waarnemingen, los en lukraak geordend, komt voort uit noodzaak. De werkelijkheid is te rauw om volledig te zijn. Zoals in ‘Wederopstanding’, waarin iemand, een hij die dood is, ‘beweegt alsof hij uit elkaar valt’. Jansma durft grote levensvragen te stellen, over de mens en zijn wil, over zijn korte tijd op aarde. Ze stelt die vragen vanuit energieke woede. Met een welhaast wiskundige precisie ontleedt zij de antwoorden. Voor de uitkomst van die sommen past alleen een buiging.

De jury legde de drie bundels nog eens op tafel, schikte en herschikte, probeerde de particuliere volgorde te vinden naast de uitkomst van stemmen en argumenten. Eigenlijk beet de jury in zijn eigen staart. Door het landschap zo breed mogelijk te reflecteren met haar keuze voor de genomineerden, moest ze nu appels en peren vergelijken. Allemaal even gaaf, even glanzend, even eigenzinnig.

De jury koos voor Koerikoeloem van Tjitske Jansen. In deze bundel ziet zij een talent bloesemen dat zijn weerga niet kent. Koerikoeloem werpt een originele, gewaagde en verfrissend humoristische blik op tragische gebeurtenissen. Het vormt in zijn diversiteit zo’n compact geheel dat de jury er niet omheen kan. De bundel is licht en donker. De bundel waaiert uit en bindt in. De bundel houdt afstand en schrijnt op de huid. De bundel is een samensmelting van contrasten die schitteren als een juweel.