Juryrapport Anna Bijns Prijs 2014

Op 11 november 2014 werd de Anna Bijns Poeziëprijs door juryvoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven uitgereikt aan Maria Barnas voor haar bundel Jaja de oerknal (De arbeiderspers, 2013). Hieronder vindt u het juryrapport.

Geachte aanwezigen, geachte genomineerden,

Het waren er nogal wat, de dichtbundels die waren ingezonden voor de Anna Bijns Prijs 2014. De oogst van vier jaar. Een lange periode om te bestrijken als jury, maar we hebben onze opdracht met het grootst denkbare plezier uitgevoerd. Eindelijk die ene bundel opgemerkt die aan onze aandacht was ontsnapt; eindelijk het werk van X of Y nu eens heel nauwkeurig gelezen; en ook veel oude liefdes hernieuwd. Sterker nog: we konden onze liefdes delen. Poëzie lezen is meestal een nogal solitaire aangelegenheid. De enige lezer die je er regelmatig over spreekt ben je zelf. Zo niet in een jury. We konden onze oordelen steeds weer tegen het oordeel van onze medejuryleden aanhouden. En hoe verschillend we soms ook bleken te lezen, er tekende zich toch al snel een steeds overzichtelijker wordende lijst favorieten af, en dat terwijl de kwaliteit zo hoog was en het aanbod zo divers. Elke soort poëzie leek er in vertegenwoordigd, in die oogst van vier jaar. Van traditioneel tot experimenteel, van vormvast tot vormvrij, van wild tot beheerst en van pril tot rijp… 

Die almaar overzichtelijker wordende lijst kromp uiteindelijk tot een shortlist van drie titels: ‘Jaja de oerknal’ van Maria Barnas, uit 2013; ‘Ook daar valt het licht’ van Miriam Van hee, ook uit 2013; en ‘Eiland berg gletsjer’ van Anne Vegter, uit 2011.

Laten we met ‘Eiland berg gletsjer’ beginnen. Avontuurlijke poëzie die wordt gekenmerkt door plastisch taalgebruik en door springerige montage van beelden en spreektonen. Vaak geestig. De kern van de bundel wordt gevormd door een lange reeks gedichten waarin op meeslepende toon een grote hartstocht wordt beschreven. Hierin wisselen tedere wreedheid en roekeloze overgave elkaar af. De bundel besluit met een lang gedicht waarin de dochter van Noach het verhaal van de zondvloed navertelt in een adembenemende monoloog.

Dan ‘ook daar valt het licht’ van Miriam Van hee. In sobere taal worden grote thema’s onder woorden gebracht. Een besef van de kwetsbaarheid van alle leven doortrekt de gedichten. Landschappen en mensen worden trefzeker getekend. Met mededogen wordt teruggekeken op gebeurtenissen in het verleden. De toon is meestal kalm maar de sfeer is vaak geladen. Gedichten waarin op subtiele wijze veel wordt gesuggereerd.

Tot besluit ‘Jaja de oerknal’ van Maria Barnas. Het titelgedicht van haar bundel zou je programmatisch op kunnen vatten. ‘Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?’ schrijft ze. Het is de taal die het ons mogelijk maakt het hele universum in de mond te nemen. Barnas proeft de woorden heel zorgvuldig voor ze bij elkaar te zetten en kijkt vervolgens zelf met verwondering naar wat ze er in gevangen heeft, hoe de dingen pas in de woorden samenhang krijgen. Haar samenhang, voor even, alleen binnen het bestek van het gedicht.

Toch gebruikt ze de poëzie niet alleen om vorm te geven aan haar waarnemingen, aan haar verwonderingen en haar ogenschijnlijk willekeurige associatiedrift. Het is ook een middel om te ontsnappen aan de eenduidigheid van de alledaagse taal, om in meerdere lagen te kunnen spreken, dingen te bedoelen die ze tegelijk ook niet bedoelt, of toch weer anders; in die zin legt ze in haar gedichten niet zozeer vast alswel schroeft ze los. In ‘Kijk’ schrijft ze:

Ik werp een blik uit het raam alsof dit kijken

een steen is terwijl jij een vis vraagt.

Ze heeft de woorden losgeschroefd uit de fitting van hun betekenis, laat ze vrij zweven. Dat doet ze vaker in haar gedichten. Zoals ze de oerknal proeft in haar mond. Zoals ze zich verwondert over het woord ‘consumptieaardappelen’. Zoals ze in de klank van de ‘o’ de oeverloosheid van de dood betrapt. Zoals ze boekenruggen leest als partituur. 

Lezen en gelezen worden komt veelvuldig voor in deze bundel. ‘Waar de dichter leest’ luidt de titel van een gedicht, ‘waar zijn de woorden die ik las’ vraagt ze zich af in een ander gedicht en in ‘Minderende man’ schrijft ze:

De ruimte tussen de minderende man en mij

wordt massief terwijl ik verspringende ruggen probeer

te lezen als partituur. Kun je geen opslagruimte huren?

Ik ben uit de boeken voortgekomen en de boeken

bestaan uit mij begint het klein in mij te dreinen.

De minderende man vindt dat degene met wie hij samen gaat wonen te veel boeken heeft. ‘Ze passen niet in ons nieuwe huis.’ Waarop de ik uit het gedicht opnieuw beseft hoezeer de boeken en de woorden waaruit ze zijn opgebouwd van haar zijn. De woorden die ik las – of althans de woorden waarmee ik tijdens dat lezen in gesprek raakte, want elk nieuw lezen is weer een ander lezen dan het vorige – hebben in die boeken hun plaats en zijn evenzeer van mij afhankelijk om iets te betekenen als ik van hen.

Barnas gebruikt poëzie als mogelijkheid om ergens een doek van woorden overheen te gooien. Elk gedicht een poging om iets vluchtigs even stil te zetten, te bewaren, te documenteren. Haar in die exercitie te volgen is een groot genoegen.

‘Ik sta in het midden van een verbijsterd heelal.’ De laatste regel van het gedicht Vatnajökull (de grootste gletsjer van IJsland). Het is niet de dichter die verbijsterd is in dat heelal, nee, de dichter laat het heelal zelf in verbijstering achter. In het talige universum van Barnas kan alles een nieuwe plaats krijgen, past een oerknal in een mensenmond, kunnen mannen stromen en vrouwen meanderen, kan de ‘o’ geproefd worden als een soort toverbal des doods… Poëzie geschreven met de schepping op de tong. En dan toch zo licht dichten, zo weinig last hebben van de zwaartekracht, en toch zo beeldend schrijven: deze bundel dwingt bekroning af.